zondag 9 december 2012

Boodschap voor 8 december

Het zijn zo’ n wonderlijke dingen die we vandaag – 8 dec. – vieren, dat we er goed aan doen eens alles op een rij te zetten. Het gaat dan niet zozeer over onze congregatie die met Gods genade en onder de impuls van onze stichter pater Chevalier – nog maar pas deze week in de Belgacom-TVzender KTO bezongen en voorgesteld –, begonnen is in 1854, of 158 jaar geleden. Ik heb het over Maria en wat zich in haar leven allemaal heeft afgespeeld.

We vieren vandaag niet dat Jezus uit een moeder-maagd is geboren, maar dat Maria zelf als kind onbevlekt ontvangen werd, ‘vol van genade’ – we bidden dat of vermelden het letterlijk in elk Weesgegroetje van ons angelusgebed en onze rozenkrans of ons rozenhoedje. Dit moeilijke begrip staat dus dichter bij ons dan we denken. Pius IX heeft het in 1854 niet uitgevonden, hij heeft het wellicht wèl ‘gevonden’ als een bijzondere eretitel of een soort eremetaal voor Maria, 18 eeuwen na de feiten, uit erkentelijkheid voor Jezus’ moeder; en niet omdat de franciscanen 5 eeuwen eerder er vóór waren of de dominicanen er tegen.

De toevalligheid van het samenvallen van de verwoording van dit dogma en de stichting van onze congregatie op 8 dec 1854 moet ons iets zeggen. Geen toeval voor ons. Pater Chevalier vroeg uitdrukkelijke bescherming aan Maria en beloonde haar met een prachtige nieuwe naam: O.-L.-Vrouw van het H. Hart. Een van die duizend namen! zoals het Vlaamse lied zingt. Ze was voor hem de moeder van de liefde, en ze werd dat voor heel de congregatie. En die liefde, dat was Jezus: voorgoed God-in-ons-midden, God-met-ons, het echte kloppend hart in de wereld, genezend en daarom ook zo heilig. Wat hebben we een voorrecht gekregen dat we in de advent elk jaar onze eigen roeping mogen overwegen op deze dag: namelijk ons toebehoren, ons erbij horen: we maken samen de club van de liefde uit, met Maria en met Jezus in uitermate goed gezelschap. Ergens bijhoren is kostbaar in onze samenleving vandaag. Voor jonge mensen, voor oude mensen. Iemand mogen zijn, mogen meetellen, niet voorbijgelopen worden als een stoel onder tafel of een faiencesteentje in de keukenmuur, maar begroet. We zijn ons deze ‘schat van een inzicht’ niet tevéél bewust. Dat toebehoren, horen bij, kan een grote bron van geluk zijn. Ik weet dat er ook nog andere bronnen zijn; iets hebben bv. Dat maakt je ook gelukkig; niets hebben, niet het meest noodzakelijke voorhanden hebben geeft ons een doodongelukkig levensgevoel. Gedenken we de armen die we al wel kunnen helpen, ze blijven arm; we kunnen ze ook respecteren en graag zien, hun vriend worden en medemens! Er is ook nog – ten derde - iets kunnen! Ook dat maakt een mens gelukkig; niet meer kunnen – we weten het, we voelen dat elke dag – kan zeer ontredderen. En nog erger, onze maatschappij maakt mensen af omdat ze niet meer kunnen presteren.

Waarom dat allemaal vertellen? Omdat Maria, de moeder van Jezus, als een van ons dat ook heeft gekend. In een niet zo religieuze taal wil ik zeggen dat Maria haar geluk gevonden heeft in het erkend worden, in dat zo ‘graag erbij willen horen’. God zelf, de Bijbelse JHWH, trok haar in zijn heilsplan binnen als de pion nr. één, onmisbaar. Na hoeveel vragen van God heeft zij ja gezegd, ik bedoel: hoeveel meisjes zijn er niet nog voor haar gevraagd? Maria bezingt haar vreugde omdat ze mag meedoen, ze speelt mee, ze kan iets betekenen voor God en de mensen, voor àlle mensen die daardoor haar kinderen worden. En wat bezat ze? Een dak boven haar hoofd, kleren aan haar lijf, eten en drinken, wat mensen nodig hebben. Misschien was ze ook wel deelgenoot in een renderend bedrijfje dat Jozef leidde. En waarom ook niet. Ze kon haar man als aannemer, als timmerman, als houtbewerker best bijstaan en alle logistieke steun bieden die hij nodig had.
Iets hebben, iets kunnen en iemand zijn. Drie gelukkigmakende verlangens àls ze vervuld worden; ook voor ons een waarheid, en daar hebben we elkaar voor nodig. Dàt gunnen aan elkaar. Elkaar niet in de weg staan. Laten we deze verlangens niet verzieken of verdorren tot hebzucht, eer- en heerszucht; anders gezegd dat we ons te zeer hechten aan geld en niet-delen, aan ons eigen zo broze ik, aan - ernstig – macht. Wat een gekte als we gaan denken dat dàt onze identiteit uitmaakt en ons belang. Maar… dan hebben we goddank nog steeds drie medicamenten ertegen in onze huisapotheek: soberheid, stilte en solidariteit.

Maria. Over haar ging het, zij is de spiegel in wie we vandaag kijken. Vol dankbaarheid en erkentelijkheid. Ze is ‘vol van genade’ ontvangen. Geen kwade wil heeft zich in haar genesteld. Geen kortzichtige hechtingen aan bezit en macht en eergevoel. Ze was vrij. Ze hield de hele ruimte van haar leven helemaal open voor God en zijn mensen en hun geluk.

Er zijn twee middeleeuwse schilders die haar vermoedelijke ouders hebben getekend; Joachim en Anna. Hun namen zijn geen Bijbelse informatie. We leren het uit een verborgen evangelie van Jakobus. Elke eeuw die vólgt op het verhaal van Jezus gaat op zoek naar de ontbrekende informatie. Wie waren de ouders van deze fantastische vrouw, van deze gelovige moeder? Het eerste tafereel. Joachim wordt als een herder afgebeeld tussen zijn schapen, met een groot verdriet: hij heeft geen kinderen. Zo in gedachten verzonken moet een àndere herder hem attent maken op een engel, hem wakker maken voor die postbode en vooral voor het goede nieuws dat hij brengt. Joachim slaat de ogen op en vouwt de handen vol hoop. Tweede tafereel. Anna zit aan een kerkmuur; ze is te oud afgebeeld om Maria te zijn. Anna bidt, want buiten de kerk kan je ook bidden. Ze heeft een boek op haar schoot; ook zij gaat meespelen in het grote boekverhaal van God en mens, nu het Eerste Verbond ten einde loopt. Een engel in haar buurt maakt geen ènkele indruk op haar, ze ziet hem niet. Ze heeft evenmin weet van Joachim, van zijn agenda met de schapen, en geen vat op het grote verdriet van haar man. Ze wil hem wel een kind geven. Ze wacht. Ze verwacht. Dat zou ook hààr schande als kinderloze in die maatschappij wegnemen.

Deze twee oudere mensen mogen meespelen van God, ze krijgen wat een mens het meest van al nodig heeft om te leven: zin, doel en bestemming, - dàt beschermt een mens meer dan eten en drinken - en ze ontvangen dat nog wel van Godswege! Ze betekenen alles voor God in hun eenvoud en kleinheid. Maria, vol van genade, wordt hun dochter. Deze vrouw wordt onze moeder, zij die onze congregatie al 158 jaar zegent en beschermt.

coh.